Terug
Deze site is voor het laatst bijgewerkt op 22-07-2002 ©The Sounding Burrows
In het merendistrict van Noord Engeland, de noordelijke graafschappen van Cumberland, Northumberland en Westmoreland verscheen een ruigharig terriŽrtype dat de voorloper was van de BedlingtonterriŽr, de Dandie DinmontterriŽr, de BorderterriŽr en de LakelandterriŽr, omdat men behoefte had aan een harde werkhond. Deze terriŽrs moesten gewoon hun werk doen en er geen show van maken door hun prooi op de vlucht te doen slaan, maar eenvoudig weg het ongedierte te doden. Samen met een paar andere honden, maar niet met van die grote jachthonden in van die opzichtige jachtpartijen, werden ze mee op jacht genomen om niet alleen vossen, maar soms ook ander groot ongedierte als otters te doden. Thuis werden ze gebruikt om de schapen en lammeren te beschermen en daarbij werd er op gerekend dat zij hun tegenstander zouden doden.

Zij waren erg dapper en volgden hun prooi soms voor lange afstanden onder de grond, waarover vele verhalen de ronde deden. Zoals in 1871 de Lakeland van Lord Lonsdale een otter 7 meter diep onder de rotsen volgde en men de boel op moest blazen om de hond er weer uit te krijgen. Het duurde drie dagen voor men de hond er inderdaad weer uit had en eenmaal weer boven grond bleek dat hij in prima staat verkeerde. Anderen hadden vaak niet zoveel geluk.

Het type wat we nu Lakeland noemen kwam voornamelijk voor in Cumberland, terwijl de Bedlington meer toegeschreven wordt aan het naburige Northumberland, maar aangezien er toen nog geen strikte stambomen op na werden gehouden en het doel van fokkers met name was om simpelweg een heel goede werkhond te fokken was er natuurlijk ook sprake van een zekere vermenging van de types. In de beginperiode werd de Lakeland ook wel Patterdale, Fell, Cumberland en Westmoreland terriŽr genoemd (naast nog andere namen). Een nauwe verwant bestaat nog steeds, namelijk de Patterdale. Pas zo recent als 1995 heeft hij UKC erkenning gekregen, maar hij moet vooral gezien worden als een pure werkhond.

Het Cumberland district is erg mooi, vol met meren, rotsachtig en naar men zegt is het type vos wat er huist erg groot. Dus een Lakeland moest niet alleen onder de grond durven en kunnen gaan, maar hij moest ook lange benen hebben om zijn snelle prooi bij te kunnen houden, lenig en sterk genoeg om over de rotsen te kunnen springen en klauteren, en hij moest in staat zijn zich in de kleinste hoekjes te kunnen wringen ťn te weten hoe daar weer uit te komen. Het gezegde gaat daarom dat waar een Lakeland met zijn hoofd doorheen kan, daar kan de hele Lakeland doorheen.

Lakelands en andere terriŽrs zijn nooit op dezelfde manier geselecteerd als b.v. Duitse herders. De terriŽrs die niet voldeden voor de jacht werden niet afgemaakt, maar als huisdier gehouden. Een kenmerk van Lakelands is daarom ook dat zij echte kindervrienden zijn en kunnen leren andere dieren met rust te laten. Zij lijken in kinderen hun eigen onstuitbare energie te herkennen. Men zegt ook wel dat de Lakeland de actiefste is van alle terriŽrs.

Naast het feit dat zij bijzonder goede werkhonden zijn en hele goede gezinshonden vormen, hebben ze zich ook nog ontwikkeld tot een zeer mooi ras, dat het zeer goed doet op hondenshows (en dit heeft geen afbreuk gedaan aan hun werkcapaciteiten!), dus in 1921 heeft men hen de naam Lakeland terrier toegekend en de standaard opgesteld. Kort daarna mocht het ras geregistreerd worden in het stamboek van de Kennel Club (Engeland). In 1934 volgde Amerika en werd de Lakeland opgenomen in het AKC stamboek.

Voor de Engelse en Amerikaanse standaard kun je
hier een kijkje nemen.



Een van de eerste Lakelandjes (de foto is genomen in 1941), Kildale Squiblet van de Kelda kennels,
eigendom van Miss Irene Morris die het ras in stand hield toen de oorlog het fokken van rashonden zo goed als onmogelijk maakte.


Een van de twee honden die zowel Westminster in New York won als de Crufts in Londen was een Lakeland Terrier met de naam
Champion Stingray of Derryabah (1967).




divider